web analytics

MET EEN PAPJE

Wanneer ik bij m’n ouders binnenloop om 16:00 ruikt het vertrouwd. Naar thuis. Naar aardappels, groente, vlees. Naar vroeger. Naar toen ik nog thuis woonde. Naar altijd eten om 16:30. Naar de tafel voor 3 gedekt. Naar een wit met blauw, door mijn oma geborduurd tafelkleed. Naar 3 schaaltjes yoghurt met Roosvicee als toetje naast de borden.

Maar de tafel is voor 2 gedekt.
En mijn vader is aan het koken.

Vroeger kookte m’n moeder.
Alleen.
En met een schort om.
M’n vader op een stoel erbij. Even de dag doornemen. Hij soms een biertje erbij. Zij soms een wijntje erbij. En heel lang geleden ook nog een sigaretje erbij.
Ik hoefde nooit te koken. Nooit mee te helpen. Ook niet met afwassen. Ook niet met afdrogen.
M’n vader trouwens ook niet.

Sinds m’n moeder 6 jaar geleden uit het ziekenhuis weer thuis kwam hebben m’n ouders altijd samen gekookt en afgewassen. Of misschien moet ik het zo zeggen; m’n moeder heeft mijn vader verteld hoe hij het moest doen en gekeken of hij het wel goed deed. Ze realiseerde zich dat ze hem al die getrouwde jaren toch wel heel erg verwend had en dat het belangrijk was dat hij voor zichzelf zou kunnen zorgen en niet teveel op mij moest gaan leunen, ooit. In de jaren dat ze het weer zelf kon heeft ze alles weer zoveel mogelijk zelf gedaan, maar m’n vader hielp inmiddels altijd met afwassen en hij bleek zeer goed aardappels te kunnen schillen.

Maar ze kan het nu allemaal niet meer zelf.
Ze is moe.
Ze is op.

Onlangs heeft m’n vader m’n moeders recept voor witlof van haar geleerd: “Want als ze er niet meer is, ja, dan wil ik dat toch ook wel een keertje zelf eten, want ik vind het gewoon heel lekker zoals je moeder ‘m klaarmaakt.”

Gisteren maakte hij witlof voor hen samen.
Hij dekte keurig de tafel voor 2.
M’n moeder at niet veel.
En hij deed de afwas daarna in z’n eentje.

42

MET Z’N ALLEN IN DE KANKER-ACHTBAAN

Hoewel ik van m’n moeder eigenlijk niet mag huilen om haar, heb ik de afgelopen 2 weken toch regelmatig even een traantje gelaten bij de gedachte dat ze er ooit, en gezien de prognose op korte termijn, niet meer is. Al hebben we, voornamelijk dankzij de humor van m’n moeder, toch ook behoorlijk wat gelachen.

Vandaag was de dag van de uitslagen van alle nieuwe bloedonderzoeken en de CT-scan. In hoeverre is de kanker weer terug? Hoelang heeft ze nog? Zijn er heel misschien nog andere medicijnen die kunnen helpen? Ik twijfelde of ik mee zou gaan met m’n ouders naar het gesprek met de oncoloog.

“Ik zit er echt niet op te wachten om te horen dat m’n moeder is opgegeven hoor”, zei ik gisteren tegen M.
“Misschien is het wel goed nieuws”, zei hij.
“Doe niet zo stom.”
“Dat kan toch? Ze zegt zelf dat ze zich helemaal goed voelt, ze ziet er goed uit, ze zweet ook niet meer ’s nachts. Je weet het niet.”
“M’n moeder zegt altijd dat ze zich goed voelt.”
“Maar het kan dat haar bloedwaardes weer okay zijn.”
“Doe niet zo stom, dat kan niet, als ze kut zijn, dan zijn ze kut, dan zijn ze niet ineens de keer daarna goed.”

Maar ik ging vanmorgen niet mee naar de oncoloog. Niet omdat ik een slecht-nieuws-gesprek niet aankon, maar omdat ik vond dat m’n ouders dit juist met z’n tweeën moesten doen. Ze zijn niet alleen mijn ouders, ze zijn ook elkaars partner. Sommige dingen, al zijn ze kut, zou ik zelf ook liever alleen met m’n partner doen. En dat slechte nieuws, dat zouden ze me daarna toch meteen wel komen vertellen.

Wanneer de bel eindelijk gaat ren ik naar beneden om de deur open te doen.

“En?”, vraag ik, klaar om het ergste te horen.
“Nou, m’n bloedwaardes zijn weer goed”, zegt m’n moeder, “en m’n CT-scan was ook okay.”
“Wat?”
“Ja, de oncoloog snapte het zelf ook niet helemaal, maar ik ben een extreem, bijzonder medisch geval.”
“Dus je huidige chemopillen werken gewoon nog?”
“Ja, ze heeft overlegd met andere oncologen in Utrecht en m’n bloedwaardes zijn nu zelfs weer ietsje beter dan 4 maanden terug.”
“Hoe kan dat dan?”
“Dat wisten ze ook niet.”

Ik huilen.
M’n vader kippenvel.

“Dus ik heb de afgelopen 2 weken voor niks elke dag lopen janken?”
“Je hoeft niet te janken. Als ik er echt niet meer ben, dan mag je even huilen, maar daarna ga je gewoon weer door.”
“Ik mag best huilen bij de gedachte dat je er ooit niet meer bent.”
“Maar ik ben er nog. Over 7 weken pas weer terugkomen voor de volgende controle.”
“Wat een opluchting.”
“Ja, maar er komt een dag dat ik er niet meer ben.”
“Kutwijf.”

Lachen.

17

WAT IK NU NOG KAN

“Foute boel”, zegt m’n moeder als ze binnenkomt.

Gisteren heeft ze nog met m’n vader gekibbeld over hoe laat ze precies bij me zouden zijn vandaag.
“We hebben om 9:00 een afspraak met de oncoloog en daarna komen we meteen naar jou”, zei m’n vader.
“Ja, maar ga nou maar geen tijd zeggen, want het kan altijd uitlopen en we moeten daarna nog afspraken maken voor een CT-scan of andere medicijnen ophalen”, zei m’n moeder.
“Dat weet je niet.”
“Dat weet ik wel.”

M’n moeder wist het al.
Ik wist het ook al.
M’n vader had nog wat hoop dat het allemaal wel mee zou vallen.

Maar het viel niet mee.

Al valt het eigenlijk al 6,5 jaar niet mee, want je krijgt nogal wat te horen, als kankerpatiënt en als omgeving van die kankerpatiënt . Je gaat van up naar down in een dag, in een week, in een maand, in een jaar: ‘U heeft kanker, u krijgt chemo, u bent kankervrij, de kanker is terug, u krijgt chemo, u bent kankervrij, de kanker is terug, u krijgt de rest van uw leven deze chemopillen, u bent nu kankervrij.’

Je leeft van controle naar controle. En die controles zijn soms om de week. Soms elke maand. Soms om de 2 maanden. En je bent na de meeste controles heel blij dat de controle weer voorbij is. Tot er weer een nieuwe controle aankomt.

En ondertussen deden we net alsof het niet zo is.
Ik probeerde te doen alsof het niet zo is.
Net alsof het niet zo is.
Alsof. Het. Niet. Zo. Is.

Maar het is wel zo. Mijn moeder had kanker. Mijn moeder heeft kanker. En heeft de afgelopen 6 jaar, misschien wel 7 jaar en misschien nog wel langer, kanker gehad. Want met alle keren dat de oncoloog zei dat m’n moeder kankervrij was, werd bedoeld ‘de kanker is nu niet meer actief’.

De oncoloog zei vandaag; ‘De kanker is weer terug.’

En hoewel m’n moeder al die jaren zo sterk en stoer is gebleven en haar mantra nog steeds ‘het is zoals het is en het komt zoals het komt’ is, moest ze nu zelf toch ook wel eventjes huilen: “Ik vind het niet erg voor mezelf. Ik vind het erg voor jullie.”

En nu?

Afwachten.

Afwachten op de CT-scan. Afwachten op de uitslag. Afwachten of er misschien, heel misschien, nog wel een medicijn is dat de kanker wat kan afweren. Afwachten of ze daarvoor in aanmerking komt. Afwachten of er nog iets is wat het onvermijdelijke wat kan uitstellen. Een paar maanden? Een jaar? Afwachten op wat de toekomst brengt.

Maar ik hoef niet af te wachten. Afwachten is passief. Net als hoop.

Want ik kan haar nu nog laten zien dat ik van haar hou.

36