WAAR BEN IK ZONDER AL JE ZORGEN?

“Meneer Vink”, roep ik vanaf mijn ziekenhuisbed naar het bed aan de overkant, “wacht even, dan ga ik een zuster halen, want u zit aan allerlei slangen vast, u kunt zo niet weg.” Meneer Vink, een man van rond de 80 met een grote, grijze snor, type politieagent, is uit z’n bed opgestaan en probeert richting het toilet te lopen. Hij krijgt de stekkers waarmee hij zit vastgekoppeld niet uit het stopcontact getrokken, maar hij is vastberaden om ze los te krijgen.

Ik had op mijn eigen ziekenhuisbelletje kunnen drukken en wachten tot er vanzelf een verpleegkundige zou komen, maar ik ben bang dat meneer Vink dan al met snoeren en stekkers en alles wat daaraan hangt op de grond is gevallen. Dan maar zelf uit bed strompelen op zoek naar een verpleegkundige, die gelukkig meteen met me mee terug loopt naar de ziekenhuiskamer, maar het is al te laat.

“Ja, ik zit hier vast, zo kan ik toch niet naar de wc, nu heb ik het al in m’n broek gedaan”, zucht meneer Vink.

Ik voel zijn schaamte.

De gordijnen rondom het bed van Meneer Vink gaan hierna dicht om de rest van de avond en nacht niet meer open te gaan. En al wordt Meneer Vink op deze manier voor mij aan het zicht onttrokken, zijn licht is de komende nacht meer aan dan uit en houdt me uit mijn slaap. Maar het is niet alleen het continu aan- en uitdoen van het licht dat me wakker houdt.

Meneer Vink mag niet meer zelfstandig naar het toilet en moet op een po poepen naast zijn bed. Dit gaat vaker fout dan goed, zodat het bed van meneer Vink en meneer Vink zelf meerdere keren verschoond moeten worden.
Er komen artsen langs.
Er komen verpleegkundigen langs.
Meneer Vink krijgt diverse zakken bloed toegediend die, zoals ik kan horen aan de gesprekken die uit het verlichte vierkant voor me komen, bijna meteen weer uitgepoept worden.
Er is geen 1-persoonkamer voor meneer Vink beschikbaar.
Als het licht even uit is en meneer Vink en ik alleen in de ziekenhuiskamer zijn, hoor ik hem mompelen. En vloeken. En hoesten.
Er is poep op het infuus van meneer Vink terecht gekomen, zodat het infuus vervangen moet worden, maar zijn bloeddruk is te laag en het lukt geen verpleegkundige om meneer Vink een nieuw infuus te prikken.
De anesthesist komt langs.
Meneer Vink moet met spoed geopereerd worden en een arts komt langs om te vragen of hij dat nog wel wil.

“Meneer Vink”, probeert een verpleegkundige, “meneer Vink.”
“Ja”, klinkt het zacht.
“We gaan u nog een zak bloed geven.”
“Ik heb al 3 zakken gehad.”
“Ja, ik weet het, maar u bent ook weer heel veel bloed verloren.”
“Oh.”
“En meneer Vink.”
“Ja.”
“We hebben uw vrouw gebeld, die is onderweg.”

Kun je iemand horen breken? De hele nacht heeft meneer Vink alles gelaten ondergaan. Iedere dokter en verpleegkundige steeds keurig bedankt na ieder gesprek of iedere handeling. Nu hij hoort dat zijn vrouw gebeld is begint hij te huilen. Alsof hij dan pas beseft dat het menens is.

“Het is ook allemaal niet niks hè?”, troost de verpleegkundige.

Een uur later komt mevrouw Vink de ziekenhuiskamer binnen. Een grote, struise vrouw met haar grijze haar in een knotje. Om dat knotje heeft ze allemaal gekleurde, kleine klemmetjes, alsof ze elk haartje dat die ochtend per ongeluk uitstak vast heeft willen zetten. Het is het kapsel van een meisje van 4 dat voor het eerst haar eigen haar heeft gedaan.

“Dag lieffie”, zegt mevrouw Vink terwijl ze hem een kus op z’n wang geeft, “heb je een beetje kunnen slapen vannacht?”

“Ja hoor”, zegt meneer Vink.

En ze weten allebei dat het niet waar is.

18