DE LADENKAST IN JE HOOFD

Er is een laatje in mijn hoofd met daarin de herinnering aan mijn moeder die mijn vader troost toen we net te horen kregen dat de artsen dachten dat het kanker in een vergevorderd stadium was: “We hebben het toch goed gehad?” Dat is mijn laatje met hoe liefde hoort te zijn.

Er is een laatje met de herinnering aan mijn vader die zijn stervende moeder met een washandje dept over haar voorhoofd: “Dat deed ze vroeger ook altijd bij mij.” Ook dit is een laatje met hoe ik vind dat liefde moet zijn.

Er is een laatje met de eerste kus tussen J. en mij. Een laatje met onze eerste keer seks. Ook een laatje met de tweede keer. En een laatje met de keer dat hij aan de keukentafel zat en met 1 zin mijn vertrouwen in hem voor de komende jaren kapot maakte. En er is sinds kort ook een laatje met het moment dat hij eindelijk toegaf dat hij vreemdging. Zo hoort liefde niet te zijn.

Er is een verschil tussen leven en overleven.

Overleven bestaat uit het dicht laten van de laatjes.

Ik heb de laatste jaren vooral heel veel laatjes dicht gedaan. En bewust dicht gehouden. Sommige dichtgeplakt met duct tape. En op sommige laatjes deed ik een slot en de sleutels heb ik jaren en jaren veilig in m’n zak gehouden. Ik wilde van sommige herinneringen niet dat ze waar waren. Al wist ik heus wel beter, want ik had de sleutels in m’n zak en als ik met m’n vingers over m’n bovenbeen wreef, dan kon ik de sleutels voelen zitten. Ruzies. Zoveel ruzies. Zo hard. “Dat heb ik niet gezegd.” “Dat heb je wel gezegd!!” “Echt niet.” “Echt wel!!!” Tot je aan jezelf gaat twijfelen. En echt denkt dat je gek bent. “Ik ga weg.” En dat hij dan een tas gaat pakken en wegrijdt en dan belt en dan weer terugkomt en dan weer weggaat en dan weer belt en terugkomt en weggaat en terugkomt en weggaat en belt en terugkomt. Schreeuwen. Gillen.

“Wie denk je wel dat je bent?”
“Je vindt nooit meer zo’n goede man als ik.”
“Er is geen man die al die gekkigheid van jou zal accepteren.”

M’n hele ladenkast met herinneringen staat momenteel naar voren geleund. Sommige laatjes zijn er vanzelf uit gevallen. Sommigen hebben even een zetje nodig gehad. Een woord, een geur, een aanraking; alles kan momenteel de aanleiding zijn om de inhoud van 1 van de laatjes ineens weer te zien. Te voelen. En dat is confronterend.

Waarom ben je niet eerder?
Waarom niet toen al?
Hoe kun je zo lang?
Waarom?
Waarom?

Leven is het open hebben staan van alle laatjes. Minstens op een kiertje. Herinneringen moeten ademen. Ze zijn een deel van mij. Ze horen bij mij. Ik adem ze in. Ik adem ze uit.

Ik had misschien eerder. Ik had misschien toen al. Ik had misschien minder lang. Maar ik deed het niet. Blijven was mijn eigen keuze. Het is nu aan mij om ervoor te zorgen dat ik niet meer in een situatie kom waarin ik herinneringen moet afplakken met duct tape. Uit schaamte. Uit overlevingsdrang. Ik moet nu herinneringen gaan maken die niet in een laatje hoeven, maar die je gewoon op tafel kunt laten liggen.

27