Auteur: Luna

IK GELOOFDE JE

“Ik ben een marinier.”
Ik geloofde je.

“Ik heb gevochten in Rwanda.”
Ik geloofde je.

“Ik was scherpschutter in Rwanda.”
Ik geloofde je.

“Ik ben gewond geraakt in Rwanda en heb daardoor jaren in een rolstoel gezeten.”
Ik geloofde je.

“Ik heb PTSS.”
Ik geloofde je.

“Ik ben rechercheur.”
Ik geloofde je.

“Ik doe grote zedenzaken.”
Ik geloofde je.

“Ik doe grote drugszaken.”
Ik geloofde je.

“Ik mag eigenlijk online niet op foto’s, want dan kunnen boeven me traceren.”
Ik geloofde je.

“Ik kan eigenlijk niet met jou in de stad gezien worden, want dan weten boeven dat jij mijn vriendin bent en dan kunnen ze mij pakken via jou.”
Ik geloofde je.

“Al mijn exen zijn domme kutwijven.”
Ik geloofde je.

Neem jij Chantall Maria van den Heuvel, geboren te Tiel tot je echtgenote en beloof je getrouw alle plichten te vervullen die de wet aan de huwelijkse staat verbindt? Wat is daarop jouw antwoord?

“Ja.”
Ik geloofde je.

“Ik heb een burn-out.”
Ik geloofde je.

“Ik heb al 1,5 jaar een ander.”
Ik geloofde je.

“Sorry.”

26

LUNA EN DE STAAT VAN ALERTHEID

Soms betrap ik mezelf er even op dat ik gelukkig ben.

Dan sta ik in de supermarkt en mag ik helemaal in m’n eentje bepalen wat ik die avond ga eten zonder met iemand te overleggen.
Of ik sta in m’n keukentje en zie van een afstandje de Luna-fluisteraar in de tuin zitten met een boek in z’n ene hand en de kop van Bruce in z’n andere hand. En M. is niet echt een poezenfan, maar Bruce is volhardend en M. blijkt uiteindelijk makkelijk te overtuigen qua poezenliefde.
Misschien ziet M. juist liefde voor wat het is. Poezenliefde. Liefde. Uiteindelijk komt liefde altijd op hetzelfde neer. Altijd.
Of het is vrijdag en ik zeg tegen Nina dat M. er bijna is en dat Nina dan begint te piepen van enthousiasme, omdat zij, net als ik, weet dat M. eraan komt. Ze voelt het. Net als ik. Piep. Piep. Piep. Blaf.
Of ik sta in m’n atelier een dromenvanger te maken met een fijn muziekje op de achtergrond en dan realiseer ik me; dit is mijn werk.
Of ik besef me ineens dat m’n ouders allebei nog leven en wat een cadeau dat is.
Of ik moet alle rekeningen betalen en dan ben ik aan het zeuren en zeiken, maar uiteindelijk kom ik erachter dat ik alles nog steeds in m’n eentje kan betalen. Ik. Alleen.
Soms heb ik zo fijn met M. gevreeën dat ik niets anders kan denken dan; dit is een man die heel veel van mij houdt en die ik kan vertrouwen en die mij nooit in de steek laat.

Maar ik heb jaren in een staat van alertheid geleefd.

Als hij maar niet boos wordt.
Als hij me maar lief vindt.
Als hij me maar geil vindt.
Als hij me maar mooi vindt.
Als hij maar niet agressief wordt.
Als hij me maar lekker vindt koken.
Als hij maar rustig blijft.
Als hij maar gelukkig is.
Als hij maar.
Als hij maar.
Als hij.
Als.
Als.

Dan kan ik nog zoveel dromenvangers verkopen. De zon kan nog zo hard schijnen. Ik kan nog zoveel kilo’s afvallen en fysiek nog zo lekker in m’n vel zitten en in maatje 38 passen. De Luna-fluisteraar kan 1000 keer tegen me zeggen dat hij van me houdt en dat hij mij de allermooiste vindt en dat hij voor mij en Nina en de katers wil zorgen, ook al is hij geen poezenfan. Ik blijf altijd een beetje terughoudend. In alles. In mijn leven. In mijn liefde. In mijn vertrouwen.

Want jaren leven in een staat van alertheid krijg je er niet zomaar uit. Daar gaan geen weken overheen. Daar gaan blijkbaar maanden overheen. En misschien wel jaren.

Maar soms betrap ik mezelf er even op dat ik gelukkig ben.

17